Uit het ‘verboden boek’ van Stan de Jong

deventer.jpgNu begrijpen we eens te meer waarom het boek van Stan de Jong over de Deventer moordzaak moest worden ‘geneutraliseerd’ en worden ‘vervangen’ door dat van Bas Haan dat immers definitief ‘afrekent’ met alle ‘complotten’ en de enige juiste lezing geeft: Ernest Louwes is godverdomme de dader! Ik zeg het nog maar eens: en nu bekken dicht iedereen a.u.b!  Hieronder volgt een cruciale passage uit het boek van Stan die de sleutel vormt tot de oplossing van het werkelijke DMZ-complot:

Zou de dader gewoon een psychopaat zijn? Of een patiënt van dokter Wittenberg? Aangezien het vast staat dat de moordenaar een bekende van de weduwe was – ze had hem zelf binnengelaten – zou het dan wel een (ex-)patiënt moeten betreffen, waarmee ze bevriend was. Normaal gesproken ligt dat niet voor de hand. In de wondere wereld van de Wittenbergs is dat anders.

Tijd om op deze plek eens stil te staan bij de buitengewone werkwijze van dokter Willem Wittenberg. De psychiater, geboren op 11 november 1927, stond bekend als een arts van de oude stempel. Hij beschouwde dat als een geuzennaam. Aan ‘geitewollen sokken’ die opkwamen in de jaren zeventig, zo vertellen mensen die hem kennen, had hij een broertje dood. Voor Willem Wittenberg, die gespecialiseerd was in depressies, geen afstandelijke psychobabbel. Liever bood hij een luisterend oor en sloeg een warme arm om de schouder. In tegenstelling tot de ook nu nog geldende mores was de dokter niet te beroerd zijn patiënten praktische levenstips te verstrekken. Hij adviseerde ze op het gebied van werk en carrierè, en in liefdeszaken. Ongetwijfeld hebben velen baat gehad bij zijn charmante, vaderlijke aanpak. Maar Willems betrokkenheid ging wel ver. Als een cliënt in geldnood kwam, kon hij altijd bij de dokter terecht. Je liet een patiënt nu eenmaal niet de plomp in gaan, zei Willem desgevraagd. Aldus ontstond een merkwaardige verstrengeling van privé- en zakelijke contacten. Om een nauwgezet beeld van dokter Wittenbergs leven en werk te kunnen schetsen, schoot mijn onderzoek te kort. Wat ik wel heb kunnen achterhalen, lijkt mij niettemin relevant voor de rest van het verhaal, en zal ik hier summier schetsen. Er blijven echter veel vragen open. Intrigerende vragen; dat wel. Voordat de psychiater Wittenberg medio jaren zeventig naar Deventer kwam, werkte hij in Groningen. Daar kwam hij in contact met de eerste hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, prof. dr. Th. Hart de Ruyter. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig had Hart de Ruyter, die was aangesteld bij het Academisch Ziekenhuis in Groningen, de leiding over een speciaal project in ‘het Château’ te Haren. Op deze afdeling van het ziekenhuis werden kinderen behandeld met ernstige psychische en opvoedkundige problemen; ze waren labiel, onthecht en agressief. Je zou ze, en dat is niet kwaadaardig bedoeld, kleine psychopaten kunnen noemen. Professor Hart de Ruyter sprak overigens liever van  ‘psychopathiform gedrag’.

Een van deze patiëntjes was een jongen die ik hier ‘Peter’ zal noemen. Met deze Peter moet Willem Wittenberg, die als psychiater bij het project betrokken was, een speciale band hebben ontwikkeld. In haar testament noemt Jaqueline Wittenberg de jongen, die in de jaren 1971 en 1972 werd behandeld, ‘een protégé van mijn echtgenoot’ Haar testament? Jawel. De jongen, die inmiddels een volwassen man is die in Dordrecht woont, kreeg na haar dood een legaat van 23.000 gulden. Hoe diep de gevoelens van dokter Wittenberg voor Peter gingen, mag ook blijken uit het volgende: er bestonden plannen tot adoptie. Wat het project in Haren precies inhield, heb ik niet kunnen achterhalen. Wel is duidelijk dat een van professor Hart de Ruyters specialismen seksualiteit bij kinderen was. Hij schreef over het onderwerp een gezaghebbend boek. Wellicht hield de hoogleraar er ‘progressieve’ ideeën op dit punt op na. Of het terecht is of niet, wijlen Edward Brongersma, de bekende oud-PvdA-senator die wegens de seksuele omgang met minderjarigen een gevangenisstraf onderging, mocht het veldwerk van Hart de Ruyter in ieder geval graag gebruiken (misbruiken?) in zijn eigen oeuvre. In zijn omstreden en voor pedofielen ‘baanbrekende’ werk Loving boys haalt Brongersma bijvoorbeeld de opvatting van Hart de Ruyter aan dat pornografie ‘puberale jongelingen zou kunnen helpen te socialiseren’. Brongersma: “These often outlawed publications are at times helpful.” Pornografie als een vorm van therapie? Nu ja, er zijn in die vroege jaren zeventig wel dwazere dingen bedacht. Nogmaals: hiermee is niet gezegd dat Hart de Ruyter de lichtzinnige opvattingen van Brongersma over seks tussen volwassenen en kinderen cq adolescenten deelde. Evenmin weten we of Willem Wittenberg voorstander was van dergelijke ‘behandelmethoden’, laat staan of hij ze praktiseerde. Hij zou per slot van rekening geen voorstander zijn geweest van geitewollensokkenpsychiatrie, wat hij daarmee ook bedoelde. Wat dokter Willems ‘insteek’ was, hoe ver zijn therapie met de knullen ging, waarom hij zo’n diepe gevoelens voor Peter koesterde, het is in nevelen gehuld. Publicaties van zijn hand zijn voor zover bekend nooit verschenen. Willem was niet zo’n schrijver. De medische dossiers van de patiënten die hij had behandeld, waren na de dood van mevrouw Wittenberg door Ernest L. naar het afvalvernietigingsbedrijf in Lelystad gebracht en onder het toeziend oog van de executeur-testamentair versnipperd – iets waar L. later nog behoorlijk spijt van zou krijgen. Wel mag duidelijk zijn geworden dat Wittenbergs taakopvatting als psychiater – de adoptieplannen, de giften en leningen, de adviezen over liefde en werk – verder ging dan naar de huidige (en waarschijnlijk ook wel toenmalige) maatstaven wenselijk wordt geacht. Enige afstand tussen therapeut en patiënt wordt in zijn algemeenheid toch wel verstandig gevonden.

Print Friendly, PDF & Email
Share