Rechter Westenberg zegt: niet ik intimideerde

ZAAK-WESTENBERG: RECHTER BELASTERT COLLEGA-RECHTER

door Stan de Jong
Het is een verdediging die doet denken aan die van oud-minister Joseph Luns toen onthuld werd dat hij lid was geweest van de NSB: “Ik ben het niet geweest, het was mijn broer.” De in opspraak geraakte Haagse rechter Hans Westenberg beweert dat niet hij advocaten telefonisch heeft geintimideerd, maar een collega van hem. Dit blijkt uit het proces-verbaal van de getuigenverhoren die onlangs in de zaak-Westenberg plaatsvonden. Westenberg verklaart: ‘De rechter (…) waarover mevrouw Dumont heeft verklaard, stond in Den Haag bekend als een rechter die buitengewoon onheus kon zijn in de omgang met advocaten en partijen en die ook met advocaten belde en dus de instructie waarover ik heb verklaard om dat niet te doen aan zijn laars lapte. Als mevrouw Dumont werkelijk gesproken heeft met een rechter die haar gekat heeft in het kwadraat (…) dan denk ik dat zij met deze rechter contact heeft gehad. Dat kan haast niet anders. Er was ook geen enkele andere rechter die bemoeienis had met dat dossier. Het dossier lag bij hem.’ Een in het nauw gedreven rechter die een confere de schuld in de schoenen schuift… het moet niet gekker worden in de affaire-Westenberg.
met dank aan Nieuwe Revu

De Haagse toprechter spande een procedure wegens smaad aan tegen advocaat Hugo Smit, die stelde dat Westenberg hem in 1994 telefonisch onder druk had gezet in de zogenaamde Chipshol-zaak, en tegen journalist Micha Kat die dit incident optekende in het boek Topadvocatuur. Met zijn actie opende Westenberg een doos van Pandora: er dienden zich meer advocaten aan die door hem onheus waren bejegend. Zoals de Rotterdamse advocate Marianne Dumont. In een faillissementskwestie in 1996 wilde zij Westenberg van de zaak afhalen (wraken), omdat haar client twijfelde aan diens onpartijdigheid. Onder ede verklaarde zij: ‘Toen ik op kantoor kwam, waren de secretaresses nerveus want een rechter had al tien keer gebeld en moest mij per se spreken, de rechter was heel dwingend geweest. Ik heb toen met Westenberg gebeld en werd zeer intimiderend te woord gestaan. Hij zou over mij gaan klagen bij de Orde van Advocaten als ik de wraking niet zo intrekken en zou er verder wel voor zorgen dat het mij moeilijk gemaakt zou worden om als advocaat te opereren. Westenberg schreeuwde en snauwde…’
Volgens Westenberg berust dit dus op een huiveringwekkende persoonsverwisseling. Maar Dumont zegt dat daar geen sprake van kan zijn. De rechter waarop Westenberg doelt kan niemand anders zijn dan mr. C.G. Tjebbes, die het tussenvonnis in de zaak wees. En met hem heeft de advocate – ook nadien – louter positieve ervaringen. “Ik vond mr. Tjebbes zeer correct en professioneel, zoals ik meestal rechters ervaar.” Bovendien had Tjebbes helemaal geen motief: het was immers Westenberg die zij wraakte. “Mr. Tjebbes heeft mij nimmer gebeld.”
Wat vindt mr. Tjebbes van de beschuldigingen van zijn (ex-)collega? “Ik denk niet dat iemand het recht heeft om mij ook maar een haar te krenken”, aldus Tjebbes die twee jaar geleden met pensioen ging. Heeft Westenberg dan zo’n hekel aan hem? “Het komt voor mij als een volslagen verrassing.”

Hieronder de reactie op dit alles van advocate mr. M. Dumont zoals vastegelegd in proces-verbaal

Uit de fax van 23 april 2996 die dus op een dinsdag aan mij is gefaxt blijkt dat mijn wrakingsverzoek dat op 19 april 1996 is verzonden inderdaad op 23 april 1996 bij de rechtbank is aangekomen.
Zoals tijdens mijn getuigenverhoor verklaard had ik in de ochtend zelf een zitting bij de rechtbank. Toen ik rond het middaguur op kantoor was kreeg ik van de secretaresse het verzoek te bellen met een rechter in Den Haag want die had al 10 keer, of zo, gebeld. Toen volgde het gesprek waarover ik verklaard heb en later de fax van Mr Westenberg.
Mr Westenberg stelt dat hij op 22 april niet gebeld heeft, dat kan kloppen want hij heeft het wrakingsverzoek op 23 april 1996 ontvangen en blijkbaar toen meteen gebeld.
Mr Westenberg stelt in zijn fax die op 14.25 uur aan mijn kantoor is gefaxt (is boven aan de pagina van de fax te lezen evenals het faxnummer van de Rb Den Haag) dat niet hij de zaak Meijer/Wees doet maar dat dat Tjebbes is. mr Westenberg is slechts de rolrechter geweest. De fax kwam na het telefoongesprek zoals ik heb verklaard.
Ik kan mij niets meer herinneren van een comparitie verhoor/mr Tjebbes in 1996. Dat betekent dat die comparitie normaal verlopen moet zijn.
Wel heb ik in ongeveer 2003 een comparitie gehad met Mr Tjebbes in een handelszaak (ik heb het dossier er niet meer bijgenomen). Toen was ik mij er niet van bewust dat ik in 1996 ook met Mr Tjebbes te maken moet hebben gehad. Ik kan daarover verklaren dat ik in 2003 Mr Tjebbes zeer correct en professioneel vond zoals ik meestal rechters ervaar. Mr Tjebbes was correct en absoluut niet onbeschoft of onheus of zoiets.
Ik heb niet Mr Tjebbes gewraakt maar Mr Westenberg. Mr Tjebbes heeft mij nimmer gebeld.
Mr Westenberg verklaart verder dat de wrakinskamer dus wel degelijk contact met mij heeft gehad in de persoon van een griffier (die ik mij, gezien de dubbele naam, als adelijk herinner). Het lijkt mij interessant om na te gaan op welke dag (en uur?) die griffier mij gebeld heeft en nog meer, waarom. Er is een keer gebeld in die kwestie door een griffier en wel op 23 april 1996. Daarna niet meer.

Print Friendly, PDF & Email
Share