Deloitte schreeuwt en dreigt voor tuchtrechter

dassendeloitte.jpgRoger Dassen blijkt dooor Deloitte uit de wind te worden gehouden

Niet John van den Dries, maar Deloitte-bestuursvoorzitter Roger Dassen was de hoofdverantwoordelijke voor de controle van de Ahold-jaarcijfers vanaf 2001. In interne stukken van Deloitte die op 18 maart boven tafel kwamen staat Dassen genoemd als Lead Audit Partner waar Van den Dries omschreven wordt als Global Lead Client Service Partner. SOBI-voorzitter Pieter Lakeman vroeg de rechters van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven dan ook zijn tuchtklacht aan te houden opdat hij een nieuwe klacht kon indienen ‘nu tegen de juiste persoon, Dassen’. De rechters wezen dit af.
In het hoger beroep van deze tuchtzaak tegen Van den Dries en Deloitte inzake de controle van Ahold dat was ingesteld door beide partijen verdedigde de betrokkene zich met twee hoofdargumenten: 1. Van den Dries was niet verantwoordelijk voor de controle van US Foodservice (USF) waar de fraude zich met name afspeelde; dat was Deloitte US; 2. Ook bij de controle van USF is voldaan aan alle relevante controlestandaarden waardoor er voor Deloitte in Nederland geen acuut signaal was om in te grijpen.

karenharmsen2.JPG Opvallend was daarnaast dat Deloitte niet wenste te reageren op het onderzoek naar de fraude bij door de Ondernemingskamer waarin het op tal van punten kritiek krijgt omdat dit onderzoek ‘niet specifiek was gericht tegen Deloitte’. Toen Lakeman dit hoorde ‘kon hij zijn oren niet geloven’. Daarnaast beriep Deloitte zich erop ‘hoe wrang’ het voor Van den Dries is –die inmiddels met pensioen bleek te zijn- dat ‘deze zaak nog altijd niet geheel is afgesloten’ en dat ‘de malversaties van Ahold het gevolg waren van een gebrek aan integriteit van enkele leidinggevenden’. Ook beschuldige Deloitte Lakeman ervan ‘onnodig diffamerende opmerkingen’ te maken over Van den Dries ‘die deze procedure voor hem onnodig zwaar maken’.

Ziekte van Van den Dries
Van den Dries was niet aanwezig op de zitting wegens ziekte. Dat was opvallend, want daags voor de zitting kreeg Lakeman emails toegespeeld vanuit Deloitte waaruit bleek dat de RA eerder (in 2006) ten onrechte ziekte had voorgewend met als doel de tuchtzaak te traineren. Advocate Karen Harmsen van Stibbe (zie foto) die optreedt voor Deloitte zei hierover: “Betrokkene heeft mij schriftelijk meegedeeld dat hij destijds wel ziek was en dat zijn email bedoeld was om de vele vragen over zijn ziekte te ontwijken’. Ze gaf aan dan Van den Dries nadien, in januari 2007, is geopereerd aan slijmvlieskanker ‘welke operatie is gevolgd door een groot aantal bestralingen. Gevolg hiervan is ondermeer dat hij nog steeds moeite heeft met spreken en deze zitting daardoor voor hem te belastend is’. Lakeman heeft inmiddels een tweede tuchtklacht tegen Van den Dries ingediend wegens het te kwader trouw onttrekken aan de tuchtrechter. Namens Deloitte zat general counsel Evers voor de tafel.

Een carroussel van verantwoordelijkheden
De chaos over wie nu waarvoor bij Deloitte verantwoordelijk is lijkt thans compleet. Wat exact doet een Lead Client Service Partner (Van den Dries) in relatie tot een Lead Audit Partner (Dassen)? Harmsen noemde Van den Dries een ‘groepsaccountant’ ‘die verantwoordelijk was voor de geconsilideerde jaarrekening van Ahold over ondermeer de jaren 2000 en 2001’. Volgens RAC 600 zou Van den Dries het werk van de accountants van Deloitte US echter slechts zeer marginaal hoeven toetsen. Lakeman stelde daartegenover dat er zoveel red flags wapperden bij USF (geen functiescheidingen, geen administratie, geen aparte jaarrekening, exorbitante stijgingen van de inkoopkortingen, eerdere fraudes, resultaatafhankelijke bonussen voor het management, sabotage interne controle, onrechtmatige confirmatie-procedure voor de inkoopkortingen, zelfs ook waarschuwingen over de toestand bij USF door Deloitte zelf) dat in Nederland alle stoplichten al drie keer op rood hadden moeten springen: “De accountant moet zodanige werkzaamheden uitvoeren, dat hij te allen tijde over voldoende controle-informatie beschikt. Waar de omstandigheden dat vereisen, moeten aanvullende werkzaamheden worden verricht’. De Raad van Tucht volgde hem daarin. Lakeman citeerde zelfs een passage uit de notulen van een vergadering van de Audit Committe (31 mei 2002) waaruit zou blijken dat Deloitte de chaos bij USF juist zou waarderen: ‘hoewel dit een zwakheid is vanuit het gezichtspunt van de interne controle, voelen het management en Deloitte zich comfortabel met deze balans’.

Hoog van de toren
Deloitte blies op de zitting hoog van de toren. Advocate Harmsen: “Het aantal ongefundeerde stellingen van klaagster waarop betrokkene zou willen ingaan is zo talrijk, dat hij een keuze heeft moeten maken”; “De controle-informatie over de leveranciersbijdragen (= inkoopkortingen) die werd verkregen uit de saldobevestigingsprocedure is –in beginsel- een sterk en betrouwbaar controlemiddel” (de fraude bedroeg een miljard dollar, MK); “Betrokkene heeft in overeenstemming met RAC 600 gehandeld en hem kan derhalve geen verwijt worden gemaakt”; “Voor betrokkene is duidelijk dat klaagster onvoldoende kennis en inzicht heeft in de betekenis van de leveranciersbijdragen in het algemeen en die in de jaarcijfers van USF in het bijzonder” en “wat klaagster beschrijft heeft weinig tot niets te maken met de gang van zaken bij USF”. Harmsen eindigde haar pleidooi zelfs met een dreigement: “Wanneer uw College van oordeel zou zijn dat betrokkene meer zou hebben moeten doen dan hetgeen RAC 600 vermeldt, heeft dit gevolgen voor de controle door groepsaccountants van alle multinationale ondernemingen waarvan het groepshoofd wordt gecontroleerd door een Nederlandse accountant. Dit zou betekenen dat een groepsaccountant nimmer gebriuik zou kunnen maken van andere accountants zoals bedoeld in deze richtlijn zonder het werk integraal over te moeten doen.” Lakeman hoonde deze ‘formalistische redenering’ weg: “Als uw College deze redenering volgt, heeft dit gevolgen voor iets heel anders: het vertrouwen in de accountancy als zodanig. Dat zal dan namelijk geheel verdwijnen.”

Uitspraak op 29 april.

Print Friendly, PDF & Email
Share