Broertjes: champagne met een corrupte nazi

VOLKSKRANT PUBLICEERDE NOG MEER LEUGENS OVER BERNHARD

Ook de passages over de Amerikaanse dochter van Bernhard in de Volkskrant, Alicia, hebben geen wortels in de realiteit. Dat blijkt uit De Telegraaf van vandaag. Deze krant heeft de dochter opgespoord en uit het weinige dat ze kwijt wil blijkt dat ze geen enkele relatie had met haar vader en zeer verbitterd is. Dit lijkt niet te verenigen met Bernhards verklaringen in De Volkskrant dat hij een warme band met deze Alicia onderhield en dat ze zelfs zou zijn voorgesteld aan Juliana. De wens van de oude prins lijkt hier de vader van de gedachte.
Om de nauwe en vriendschappelijke banden tussen de hoofdredacteur van de ‘kwaliteitskrant’ en de corrupte en leugenachtige nazi Bernhard nimmer in te vergetelheid te doen geraken volgt hieronder de roerende ‘afscheidsbrief’ van Broertjes aan zijn tweede vader.

2004 PCM Uitgevers N.V.
de Volkskrant

December 11, 2004

SECTION: Forum; Pg. 9

LENGTH: 953 words

HEADLINE: Mijn laatste groet aan prins Bernhard ; ‘Ik wil niet dat je last krijgt met je lezers’

BYLINE: PIETER BROERTJES

BODY:
‘Ik ben je de rest van mijn leven dankbaar’

Vriendschap tussen een lid van het Koninklijk Huis en een journalist, volgens prins Bernhard kon het. Pieter Broertjes beschrijft de vertrouwensband die hij met de prins had.
‘Waar ben je?’, klinkt het resoluut aan de andere kant van de lijn. ‘Ik moet je spreken. Wanneer kun je langskomen?’ Het is een koude zaterdagavond in november 2003. De prins heeft iets bedacht om voor eens en voor altijd zijn critici de mond te snoeren. Hij heeft haast. Nu ook zijn moeder door het slijk wordt gehaald, is de grens bereikt. Een proces voeren tegen de verspreiders van al die in zijn ogen onterechte aantijgingen gaat te lang duren. Hij is inmiddels 92 jaar en beseft meer dan ooit niet het eeuwige leven te hebben. Zijn gezondheid laat steeds meer te wensen over.Een paar dagen later ontmoet ik hem op Soestdijk. Het is nog vroeg in de ochtend. Hij begroet me allerhartelijkst, als altijd. Met zijn onafscheidelijke half gevulde pul bier binnen handbereik. Of ik een glas wijn wil, dan drinkt hij er een mee. Hij komt snel ter zake. Of de Volkskrant een open brief zou willen publiceren, waarin hij alle kwesties van de laatste decennia langs loopt, die een weerwoord behoeven. ‘Denk er rustig over na. Ik wil niet dat je last krijgt met je lezers. Ik wil je niet in verlegenheid brengen.’

Mijn eerste ontmoeting met de prins dateert van november 1997, tijdens de uitreiking van de Erasmusprijs aan de oud-voorzitter van de Europese Commissie Jaques Delors in het paleis op de Dam. De prins laat mij uit de rij halen. Hij wil weten of ik op mijn vader lijk, een oude strijdmakker. ‘Sprekend’, aldus Bernhard. In de jaren daarna kom ik met enige regelmaat op Soestdijk. Hij spreekt veel over vroeger, over de tijd van mijn vader. Hij stelt het contact met ‘de jonge Broertjes’ op prijs.
Naarmate de datum van de publicatie dichterbij komt – zaterdag 7 februari jongstleden – zien we elkaar praktisch elke week. De spanning stijgt. Hij ligt er ’s nachts wakker van. Iedereen is inmiddels op de hoogte, ook dochter Beatrix en de minister-president, en zij gaan akkoord.
Het is als een militaire operatie. Hij kan haast niet wachten: het is zijn tweede D-day. Op de zevende februari belt hij op, even na acht uur ’s ochtends: ‘Ik ben je de rest van mijn leven dankbaar – al zal dat niet zo lang meer zijn.’
In zijn ogen is de publicatie ingeslagen als een bom. Er is een enorme last van zijn schouders gevallen. Na ruim vijfentwintig jaar zwijgplicht heeft hij eindelijk zijn eigen verhaal kunnen vertellen – over gesuggereerd verraad, over zijn ouders.
Na de dood van mijn vader (januari) en van prinses Juliana (maart) zien we elkaar vaker en wordt de band intenser. Hij belt bijna iedere week. ‘Wanneer kom je weer een glas wijn drinken?’ Na een lange zomervakantie in Italie en een gelukkig verblijf op zijn jacht Jumbo VI, keert hij verzwakt en ziek terug naar Nederland. Hij heeft zich ermee verzoend dat zijn leven afloopt. Alles is gedaan en gezegd. Hij heeft zijn zaken netjes afgerond. Veel mensen om zich heen vindt hij vervelend. Hij is te zwak om nog in het openbaar op te treden.
Alleen de herdenking in Wageningen, op 5 mei 2005, zou hij nog willen halen: desnoods in een rolstoel. Maar de kans daarop is uiterst klein, weet hij.
Eind oktober belt hij vroeg in de morgen op. ‘Ik ga er aan. Ik heb twee kankers: in mijn darmen en mijn longen. Het is niet operabel. Basta!’ Hij klinkt onaangedaan. Nadat de artsen hem deze onheilstijding hadden gebracht, heeft hij prima geslapen, ‘als een baby’. Hij is tevreden met zijn lot: er is geen doel meer waarvoor hij in leven moet blijven. ‘Als je langs wilt komen, je bent altijd welkom. Bel me maar.’
Begin november, na de moord op Theo van Gogh, belt hij over de column van Remco Campert. Hij is het met Campert eens; Van Gogh is in zijn ogen niet de verdediger van het vrije woord bij uitstek. En half november, als ik hem op Soestdijk spreek, ergert hij zich aan de jongste verhalen over zijn lidmaatschap van de NSDAP. Zijn boosheid geeft hem weer nieuwe energie, dat wel. Maar hoe kan ik de wereld nog overtuigen van mijn gelijk, vraagt hij zich moedeloos af.
We drinken twee glazen rose champagne, en spreken af dat het nog niet de laatste keer is geweest.
Zondagavond 28 november belt hij ’s avonds om acht uur. Hij is moe van een weekend vol met familiebezoek. ‘Ik ben doodop, het was veel te druk. Maar ik wil graag je gezicht nog een keer zien, anders raak ik dat beeld kwijt. Ik word erg vergeetachtig. Wanneer kun je? Nee, het weekend is veel te laat.’
Dinsdag, een dag voor zijn dood, ontvangt hij mij op zijn slaapkamer. Hij zit op de rand van het bed, met ontbloot bovenlijf. Het is kwart voor elf. Er klinkt Mexicaanse muziek. Het bed is bezaaid met puzzelwoordenboeken en de dikke Van Dale. ‘Wat drink je? Ik neem een glas wijn, doe je mee?’ Hij heeft geen pijn, alleen gebrek aan adem. Lopen lukt niet meer. Na een half uur gaat hij staan, omhelst me en geeft me drie zoenen. Ik bedank hem voor zijn vertrouwen en vriendschap. Dat is wederzijds, zegt hij. ‘Ik heb van mijn vader geleerd dat iedereen gelijk is. Dus waarom geen vriendschap met een journalist.’
Nog een keer kom ik op Soestdijk. Om definitief afscheid te nemen. Op vrijdag 3 december sta ik voor zijn kist in de tuinkamer. De held van mijn vader ligt in zijn generaalsuniform van de luchtmacht opgebaard. Over zijn voeten ligt een warme deken met een panda-afbeelding. Naast hem een knuffelbeest en in zijn handen drie anjers. Op de achtergrond klinkt zijn lievelingsmuziek. Ik hoor hem zeggen: ‘Het is mooi zo. Salut!’

Pieter Broertjes is hoofdredacteur van de Volkskrant.

LANGUAGE: DUTCH

Print Friendly, PDF & Email
Share