AHOLD-transactie Boonstra in heel ander licht

‘BOONSTRA HAD WEL DEGELIJK VOORKENNIS. EN NIET ZO’N BEETJE OOK’

4 September 2000. Deze datum noemde Ahold als antwoord op de vraag van Pieter Lakeman wanneer de Raad van Commissarissen van Ahold voor het eerst op de hoogte was van tekortkomingen in de administratie van U.S. Foodservice. In deze raad van commissarissen had op dat moment zitting de heer C. Boonstra.
Op 11 september 2001 deed de toenmalige STE aangifte tegen Boonstra wegens zijn handel in effecten van Ahold. Hij is in mei 2003 veroordeeld tot een boete voor het niet melden van deze transacties bij de STE. Waarom Boonstra de stukken Ahold ter waarde van 700.000 gulden van de hand deed is nooit precies duidelijk geworden, dit in tegenstelling tot zijn transactie in aandelen Endemol waar met de overname door Telefonica wel een duidelijk motief aanwezig was. Nu is het motief voor de Ahold-tranactie er wel: Boonstra verkocht precies op het moment dat hij als commissaris (dat was hij op dat moment pas drie maanden) op de hoogte raakte van de fraude bij U.S. Foodservice. “Boonstra had wel degelijk voorkennis en niet zo’n beetje ook” zegt een topadvocaat die als klokkenluider optreedt en deze causaliteit onder de aandacht bracht van klokkenluideronline.

Cor BoonstraIn Het Financiele Dagblad van 11 september 2001 lezen we: “De bewuste transactie ter waarde van 700.000 gulden vond plaats net voordat Ahold in september vorig jaar de miljardenovername van de Spaanse keten Superdiplo publiek maakte.” Exact het moment dus dat ook de Amerikaanse fraude bekend werd. In voorkenniszaken is nooit direct wettig en overtuigend bewijs beschikbaar, maar is de rechter aangewezen op ‘circumstantial evidence’ die echter dermate zwaarwegend kan zijn, dat toch veroordeeld kan worden. In deze zaak lijkt het OM een makkie te hebben nu immers als feit vaststaat dat Boonstra als commissaris kennis had van de beginnende fraude bij U.S. Foodservice. Wat nog rest is het vaststellen van de exacte chronologie. Was Boonstra zelf aanwezig bij de bewuste vergadering van het Audit Committe op 4 september 2000 waar de onregelmatigheden ter sprake kwamen? Wanneer vond de transactie exact plaats? Had Boonstra in de aanloop naar de genoemde vergadering al enige voorinformatie, hetgeen niet ongebruikelijk is (commissarissen moeten zich immers op zo’n vergadering kunnen voorbereiden)? Het beantwoorden van deze vragen kan geen al te groot probleem vormen voor het OM dat zijn eerste grote succes in een voorkenniszaak voor het oprapen heeft.
Opmerkelijk is dat Boonstra ook op 4 september, maar dan een jaar later (2001) zijn commissariaat bij Ahold moet opgeven. Dat heeft dan ruim vijftien maanden geduurd. Tevens is opmerkelijk dat Boonsta zowel het OM als de AFM heeft beschuldigd van het ‘bewust afbreken van zijn integriteit’.

Print Friendly, PDF & Email
Share