Aangifte tegen Havenbedrijf en Gemeente Rotterdam

KOMEN HAVENBEDRIJF EN GEMEENTE VOOR DE RECHTER?

Het Rotterdamse gemeenteraadslid drs. Joop van Heijgen (fractie van Heijgen) heeft op 1 oktober aangifte gedaan bij het OM (College van PG’s in Den Haag) tegen ondermeer (ex)directeur van het GHR (Gemeentekijk Haven Bedrijf) Rotterdam Scholten en de wethouder Havenzaken Van Sluis wegens het buiten de boeken en buiten de jaarrekening 2003 van het GHR houden van een bankgarantie van 25 mio Euro die door het GHR is verstrekt aan de Commerzbank Nederland BV bij de verstrekking van een lening door deze bank aan RDM Vehicles BV.
Volgens de voor gemeenten geldende wettelijke voorschriften moeten door de gemeenten verleende borgstellingen in de jaarrekening worden opgenomen. Volgens een brief van het College van B&W van 22 juni is directeur Scholten echter ‘strikt formeel binnen het mandaat’ gebleven. Vrijdag 1 oktober wist wethouder Van Sluis te melden dat dit standpunt ‘achteraf onjuist’ was gebleken. Intussen heeft op 24 juni 2004 het College van B&W welbewust de Gemeenteraad een onjuiste jaarrekening 2003 laten vaststellen.
Deze misleiding van de Gemeenteraad vormt voor het raadslid de directe aanleiding aangifte bij het College van Procureurs-Generaal te doen.

AAN: COLLEGE VAN PROCUREURS-GENERAAL
POSTBUS 20305
2500 EH ’s-GRAVENHAGE
TNV: VOORZITTER JHR.MR J.L. DE WIJKERSLOOTH
INZAKE: AANGIFTE MISDRIJVEN/STRAFBARE FEITEN MBT. GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ROTTERDAM
VAN: DRS. J.G. VAN HEIJGEN
GEMEENTERAADSLID TE ROTTERDAM

Rotterdam, 29 september 2004-09-28

Via deze weg verzoek ik u – in lijn met uw functie en bevoegdheden – over te willen gaan tot strafrechtelijke vervolging van de hieronder vermelde personen wegens overtreding – opzettelijk en in vereniging – van de volgende wetsartikelen:

WSr. Nrs. 225 lid 1 en 2; 227 a en b, 360; 361; 134; 336; 44; 46a; 326

Analogie: Comptabiliteitsvoorschriften art. 3; art. 26; art. 55

De personen die ik vermoedelijk schuldig moet achten aan overtreding van de betreffende wetsartikelen zijn:

Mr. W.K. Scholten, algemeen directeur GHR
Drs. J.C. van de Leur RC, hoofd financiele en bedrijfseconomische zaken GHR
Drs. A. Douw RA, accountant voor het GHR. en secretaris van de COR
Drs. Y.R.E. van Vugt RA, directeur Accountants Dienst Rotterdam (ADR)
M.W. van Sluis RA, wethouder Havenzaken te Rotterdam
N.J.G. Janssens, wethouder Middelen te Rotterdam

Het vermoedelijk strafbare feit betreft het buiten de boeken en de jaarrekening 2003 van het GHR houden van een 25 miljoen bedragende bankgarantie door het GHR verstrekt aan de Commerzbank Nederland BV voor het verkrijgen van een banklening aan RDM Vehicles BV door de Commerzbank. (zie bijlage 1)

De Comptabiliteitsvoorschriften schrijven echter voor (art. 55.1):
‘Aan de passiefzijde van de balans wordt buiten balanstelling opgenomen het bedrag waartoe waarborgen zijn verstrekt voor nog uitstaande geldleningen van andere instellingen’

De opzettelijkheid van het buiten de boeken en de jaarrekening 2003 van het GHR houden blijkt o.a. uit de brief (bijlage 1) van het college van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam d.d. 22 juni 2004, gericht aan de Commissie tot Onderzoek van de Rekening (COR). Hierin wordt door B&W o.a. het volgende gesteld t.a.v. bovengenoemde bankgarantie c.q. garantstelling:
‘Gebleken is, dat de algemeen directeur GHR op 5 november 2003 een garantstelling ad 25 miljoen heeft afgegeven aan de Commerzbank voor een kredietfaciliteit van 25 miljoen ten behoeve van RDM Vehicles.’

De afgegeven garantstelling werd niet teruggevonden in de lijst van verplichtingen en risico’s die in het kader van de voorbereiding van de verzelfstandiging van GHR tot Havenbedrijf Rotterdam NV is opgesteld.
Evenmin was deze garantstelling opgenomen in de jaarrekening 2003 van het GHR.

Het college van B&W was op 4 mei 2004 op de hoogte van de verleende garantstelling door het GHR aan de Commerzbank ten bedrage van 25 miljoen voor de RDM-lening (bijlage 1). Dit feit is op 22 juni 2004 aan de COR gemeld. Ondergetekende werd buiten deze melding gehouden.
De COR heeft in overleg met de directeur ADR en de directeur Financien van de Bestuursdienst besloten dit nieuwe feit niet aan de Gemeenteraad te melden, maar ook evenmin mutatie op de jaarrekening 2003 van het GHR toe te passen. Het college van B&W heeft evenzeer nagelaten de jaarrekening 2003 van het GHR te muteren.
Op 24 juni 2004 is door B&W deze niet gemuteerde jaarrekening – na zogenaamde controle door de COR – aan de Gemeenteraad van Rotterdam middels de Jaarrekening 2003 ter goedkeuring voorgelegd en vervolgens in den blinde door de Gemeenteraad goedgekeurd.

De Gemeenteraad van Rotterdam is zodoende opzettelijk misleid door het NIET vermelden van de RDM-bankgarantie door het Havenbedrijf in de Jaarrekening 2003 van het GHR en de Gemeente Jaarrekening 2003.

De comptabiliteitsvoorschriften schrijven echter voor:

Art. 26.
De jaarrekening wordt vastgesteld met inachtneming van hetgeen omtrent de financiele positie op de balansdatum is gebleken tussen het moment van opmaken van de jaarrekening en het tijdstip van vaststelling daarvan,voor zover deze aanvullende informatie onontbeerlijk is voor het in artikel 3 bedoelde inzicht

Art. 3.
De begroting, de meerjarenraming, jaarrekening en de toelichtingen geven volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiele positie en over de baten en de lasten

Aangezien het mijn verantwoordelijkheid is, als volksvertegenwoordiger en als bestuurscontroleur (en als tot maart 2006 benoemd COR-lid), erop toe te zien dat bovengenoemde onwettige praktijken binnen de Gemeente Rotterdam zich NIET kunnen en mogen voordoen, zie ik mij genoodzaakt deze aangifte bij u te deponeren.

Getekend

Drs. J.G. van Heijgen
Dalendoord 89
3079 ZB Rotterdam

BIJLAGE 1:
Brief College Burgemeester en Wethouders (B&W) van 22 juni 2004 aan de COR i.v.m. antwoorden op vragen over RDM. in relatie tot jaarrekening 2003.

NOTA BENE:
Ik deponeer hier deze aangifte bij het College van Procureurs-generaal en NIET bij de Hoofdofficier van Justitie aangezien deze hoofdofficier deel uitmaakt van het driehoeksoverleg tussen burgemeester, noofdcommissaris van politie en de hoofdofficier van justitie.
Aangezien het hier een aangifte betreft tegen een tweetal wethouders van het College van B&W en de burgemeester voorzitter is van dit college lijkt het mij uit oogpunt van ONAFHANKELIJKHEID, en NEUTRALITEIT correct deze aangifte te richten aan het College van Procureurs-generaal.

Print Friendly, PDF & Email
Share